Opgesloten in het Grand Hotel. Over ‘Grand Hotel Europa’ van Ilja Leonard Pfeijffer.

Dagen van afzondering dwingen ons om de uren die voor ons liggen op nieuwe manieren in te vullen en naarmate de dagen zich aaneenrijgen gaan we bijna automatisch onze oude gewoontes overdenken. Zo besloot ik, onder invloed van de maatregelen, de huidige stroom Nederlandstalige fictie even te negeren, te bedanken voor recensievoorstellen en – zoals velen –mijn toevlucht te zoeken bij de klassiekers. Quarantaine laat het stof wegwaaien van De pest van Camus en Boccaccio’s Decamerone, werken die men met een waaier aan initiatieven weer onder de aandacht brengt. Zelf lees ik momenteel Misdaad en straf, voor het eerst, op mijn vijfendertigste, een klepper van Dostojevski. Zo brengen deze dagen van opsluiting toch ook opening in het ontsluiten van onontgonnen gebied.

Via het kijkgaatje van de sociale media, die gefilterde wereld binnen mijn bubbel, merk ik dat ook Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer dezer dagen op menig nachtkastje rust. Het levert mooie beelden op van de kanjer in wijnrood stofomslag inclusief gouden leeslintje met op het omslag een tedere foto van Stephan Vanfleteren. Een roman zo magnifiek vormgegeven dat kijken en vasthouden al een plezier op zich vormen. Geboren met de looks van een klassieker bezit het werk gelukkig ook de inhoudelijke fond om als belangwekkende literatuur te worden beschouwd. Ilja Leonard Pfeijffer had het recent nog over ‘vasthouden aan iets irrelevants als decorum’ in een van zijn dagelijkse columns voor NRC over de toestand in Italië in tijden van het coronavirus. ‘Als je de hele dag in pyjama op de bank hangt, is alle hoop vervlogen.’
Het belang van stijl en goede smaak verdedigt ook het hoofdpersonage van Grand Hotel Europa Ilja Leonard Pfeijffer door zelf een voorbeeld te stellen. Een ietwat hyperbolisch, misschien zelfs aanstellerig voorbeeld:

Ik trok mijn zwarte pak aan van Carlo Pignatelli met het roze overhemd dat ik nog in Genua had laten maken door mijn kleermaakster op Via Canneto il Lungo, een zijden stropdas met roze bloemmotief op een zwarte achtergrond van de Antica Cravatteria van Roberta Failla in Palermo, goudkleurige manchetknopen, een goudkleurige dasspeld en mijn zwarte schoenen van Melvin & Hamilton. (353)

Wie toetreedt tot de categorie van de toeristen, gooit liever niet onmiddellijk alle goeie smaak overboord. Al kan een onverwachte inkeer tot vakantieconfectie wel voor hilariteit zorgen, zoals de auteur de professor uit zijn romance Peachez liet overkomen. De scène waarin ‘proffie’, een latinist aan de Fredo universiteit, een short met rafels aanschaft en zich opmaakt voor zijn gedroomde ontmoeting met Sarah Peachez op een bikinistrand is onvergetelijk grappig.
Dan is de toon van het hoofdpersonage uit Grand Hotel Europa een stuk scherper wat de slechte smaak van toeristen betreft. Dat deze horden het wagen om in vakantieplunje de crème de la crème van de westerse cultuurgeschiedenis te bezoeken, wijst voor hem op een gebrek aan respect en waardering. Misschien moesten we ons maar wat meer laten inspireren door die bevoorrechte reizigers uit de 19de eeuw die op grand tour door Europa trokken? Al is het maar de vraag of de once-in-a-lifetime-experience van de historische grand-tourist zoveel verschilt van die van de huidige bucketlisters? Waar de contemporaine toerist het zoveelste hokje op de snel aangroeiende en al even snel wijzigende bucketlist aanvinkt, hadden ook de 19de-eeuwers hun Baedeker – de kiem van het Lonely Planet–ANWB continuüm – op zak met daarin precieze voorschriften en een uitgestippeld parcours. Wat je gezien moet hebben is in hoge mate beïnvloed door uitgekiende strategieën van marketeers. Enkel in de schaalgrootte ligt een wezenlijk onderscheid met de Romantics. Tot voor kort, voor de coronacrisis, kreunden sommige West-Europese steden dan ook onder dit massatoerisme. Uiteraard is het goed dat wat eens slechts voor een rijke elite was weggelegd nu binnen het bereik van veel groter deel van de bevolking ligt, maar dat neemt niet weg dat deze democratisering met een prijs komt: ‘Toerisme vernietigt datgene waardoor het wordt aangetrokken.’ (113) En misschien moeten we ons zelfs de vraag durven stellen wat die zogenaamde democratisering dan eigenlijk wel inhoudt? Wat betekent het om de Mona Lisa in het echt te zien als het enkel een vinkje voorstelt, als je er niets mee doet? Napels zien en dan sterven. Uit de virtual tours die nu door cultuurhistorische steden en musea worden aangeboden, leer je waarschijnlijk even weinig, even niks. Wil er werkelijk sprake zijn van democratisering dan zijn het de ideeën die waardevol zijn waar je iedereen de toegang toe moet geven.

Grand Hotel Europa stemt soms melancholisch. Niet nostalgisch. Nostalgie is een gevoel waar reactionaire krachten met hun haatpropaganda op enten. Terwijl melancholie zoals Stefan Hertmans al schreef een vitaal sentiment is. Melancholie stimuleert het gesprek met het verleden, houdt het aan de gang en blaast het steeds opnieuw leven in. Pfeijffer steunt in zijn Grand Hotel Europa dan ook op de groten uit het verleden tijdens zijn zoektocht om een toekomst te kunnen verbeelden, een weg uit de huidige impasse.
De setting van het grand hotel herinnert onmiskenbaar aan deze uit De Toverberg van Thomas Mann. In beide romans zijn het bovendien ook de kleurrijke bewoners die het hotel bevolken die voor de afwisseling in de vertelling zorgen. Een verteltrant die in beide romans niet alleen gevarieerd is maar ook uiterst grondig. In de proloog van Mann lezen we:

We zullen het uitvoerig vertellen, nauwkeurig en grondig – want sinds wanneer bepalen de tijd en ruimte die een verhaal vergt of het spannend is dan wel saai is? Zonder bang te zijn voor het odium van overdreven precisie, zijn we juist van mening dat alleen het grondige echt onderhoudend is. (8)

Verhalende stukken wisselen af met meer essayistische passages; voor die laatste voert Mann onder meer meneer Settembrini op, een man die zijn gelijke kent in de wijze Patelski bij Pfeijffer.
Het grand hotel doet verder ook denken aan het spookhotel uit The Shining. In een essay opgenomen in de bundel k-punk (2018) schrijft cultuurcriticus Mark Fisher over fantomen die rondwaren in dergelijke labyrintische hotels. ‘Haunting happens when a space is invaded or otherwise disrupted by a time that is out-of-joint, a dyschronia.’ (171) En dat is precies hoe ik Grand Hotel Europa lees, als een studie over een onwrichte tijd.
De hauntologie die Fisher bestudeert behelst het verleden dat steeds aanwezig is als ‘ondode’, datgene wat blijft spoken omdat er geen definitief afscheid van genomen kan worden. Deze spoken zijn het gevolg van een vorm van mislukte rouw en omvatten zowel het verleden-dat-niet-voorbij-is als de toekomst-die-nog-niet-geboren-is.
De reeds vermelde neiging tot melancholie is dan ook kenmerkend voor dit fenomeen. In Ghosts of my Life verbindt Fisher, wiens belangrijkste focus muziekcultuur was, deze aan de liefde voor de materie. Tactiele objecten maken het verleden tastbaar. Waar Pfeijffers zijden stropdas een vervlogen tijd oproept, werkt Fisher zijn gedachte uit aan de hand van vinylplaten. Wanneer we die afspelen wijst hun gekraak ons op de ontwrichting van de tijd. ‘Crackle makes us aware that we are listening to a time that is out of joint, it won’t allow us to fall into the illusion of presence.’ (20)
In Grand Hotel Europa fungeert het gefluitster van de andere gasten als gekraak op de plaat, vormt het de ruis die op het oneigentijdse alludeert:

Toen we de trap afdaalden, zat de veranda van het restaurant al zo goed als vol, niet alleen met hotelgasten, maar juist ook vooral met incidentele bezoekers van het vasteland of van een van de vele jachten die in de baai voor anker lagen.  (…) Ze zaten te dineren in vakantieconfectie, staakten hun conversaties en keken ons aan alsof we filmsterren waren. Wij glimlachten bij wijze van begroeting en lieten ons door de ober naar onze tafel begeleiden. Als gasten in volpension was ons een vaste tafel toegewezen aan zee. Om ons heen werd opgewonden gefluisterd. (353)

Vanuit die benadering is al dat gepronk van het personage Pfeijffer die zijn ochtendtoilet en garderobe steeds met het brede gebaar beschrijft meer dan een (op zich oninteressant) gegeven van ‘goede smaak’. Als het slechts om een steriel, blind elitarisme zou gaan, vormt Pfeijffers hoofdpersonage immers precies de bevestiging van de uitzichtloze cultuur die hij wenst te counteren. Automatische herhaling zonder bewerking of toevoeging betekent de dood van de cultuur.  Door onbeargumenteerd vast te houden aan de grandeur van weleer verpersoonlijkt het personage het ondode dat blijft spoken en blijken die zo verafschuwde toeristenhorden het even dode spiegelbeeld van de elitaire stijlfetisjist.
Pfeijffer speelt hier natuurlijk een ironisch spel, zijn poëtica rust op deze eindeloze verdubbeling eigen aan het spiegelkabinet waar hij zo graag in vertoeft. Ironie heeft soms iets lafs wanneer men weigert positie in te nemen, maar Pfeijffers ironie is zo ‘next level’ dat ze weer interessant wordt. Naast het personage Ilja Leonard Pfeijffer is er ook de schrijver Ilja Leonard Pfeijffer, al slaat de naam die op de omslag prijkt in zekere zin natuurlijk ook weer op een personage en ook diens gedragingen en poses echoën gelijkaardige kenmerken die op hun beurt herinneren aan de poseurs en de dandy’s van het decadentisme uit het fin-de-siècle. Hoewel duidelijk deel van een spel blijft de boodschap die uit Pfeijffers positie spreekt enigszins dubbelzinnig en onduidelijk.

Grand Hotel Europa speelt met dit gegeven van een cultuur die zichzelf enkel kan imiteren en daardoor, hoewel ten dode opgeschreven, steeds aanwezig blijft als rem op de toekomst. In de woorden van Fisher:

The fact is that nothing ever really dies, not in cultural terms. At a certain point – a point that is usually only discernable retrospectively – cultures shunt off into the sidings, cease to renew themselves, ossify into Trad. They don’t die, they become undead, surviving on old energy, kept moving, like Baudrillard’s deceased cyclist, only by the weight of inertia. (319)

Fisher en Pfeijffer situeren de uitweg in een gelijkaardige richting. ‘What pop lacks now is the capacity for nihilation, for producing new potentials through the negation of what already exists’ (319). Ook voor Pfeijffer ligt de uitweg uit het hotel in een zich loswerken van het oude, vertrouwde en hij voegt eraan toe: ‘Als kunst met een mooi leven gemeen heeft dat ze doelbewust afwijkt van de gebaande paden, dan moet je die gebaande paden wel eerst goed kennen, want anders kom je er steeds weer onwillekeurig op terecht.’ (293)
De spoken waarover Fisher theoretiseert en die Pfeijffer in Grand Hotel Europa oproept zijn virtuele wezens, ze duiden op de relatie met wat niet meer is of met wat nog niet is, ze oefenen invloed uit zonder aanwezig te zijn. We zullen ze pas van ons af kunnen schudden als we er volledig mee breken en nieuwe perspectieven toelaten: ‘the existing entities will no longer serve as anchors’ (27)

Dat zo’n proces pijnlijk en traumatisch is toont Pfeijffer in Grand Hotel Europa en hij lijkt te suggereren dat het heersende neoliberalisme een belangrijke hindernis vormt om werkelijk tot vernieuwing te komen omdat er in dit systeem enkel plaats is voor winnaars.

Volgens de nieuwe, wereldwijde, cynische religie van het neoliberalisme is het niet alleen het enige zaligmakende doel om zoveel mogelijk geld te verdienen en uit te geven aan een permanente, perverse hoogmis voor het consumentisme, maar geldt het bovendien als deugd om dat doel na te streven met zo min mogelijk consideratie voor de medemens. Respect voor anderen past niet bij de winnaarsmentaliteit die wij bewonderen en onderwijzen aan onze kinderen. Egoïsme is een voorwaarde voor succes. Een altruïstische ondernemer is een slechte ondernemer, en de neoliberale eredienst eist van alle gelovigen dat zij zich tot ondernemer bekeren en vol overgave in het spel storten van winnaars en verliezers waarin elke winnaar willens en wetens wint ten koste van anderen. Dat zijn de regels. Zo wordt het spel gespeeld. (163)

Pfeijffer klikt zijn analyse van het neoliberalisme – dat het leven in zijn greep houdt en laat verstenen – vast aan het thema van het massatoerisme waar Europese steden gebukt onder gaan. Toch zijn ook de schijnbaar terloops ingevoegde voorbeelden van het destructieve effect van deze hoogmis van het kapitaal minstens even interessant. Zeker nu ikzelf 24/24 met mijn gezin doorbreng, kan ik niet anders dan denken aan de ouders die de opvoeding van hun kinderen aan de grootouders moeten toevertrouwen tijdens ‘de eindeloze Italiaanse schoolvakantie’ omdat zij ‘geen leven overhouden aan het leven dat ze moeten leiden om de illusie in stand te houden dat ze een leven leiden.’ (358) Ook trof mij het trieste lot van de depressieve veerman die eigenlijk ict’er is maar geen werk vindt ‘omdat er geen werk is. Anders was ik allang weggeweest uit dit ingeslapen provinciale gat.’ (350)

Voor Jack, het hoofdpersonage uit de verfilming van Stephen Kings The Shining door Stanley Kubrick, is er geen uitweg uit het Overlook Hotel, dat ver van de bewoonde wereld af ligt. Hij ziet het niet. Kubrick voegt nog een interessante laag toe aan de symbolische ruimte door het hotel te situeren op een voormalige Indiaanse begraafplaats. Het Overlook Hotel is gebouwd op een blinde vlek en vormt voor Fisher ‘a potent image of a culture founded upon (the repression of) the genocide of the native peoples’. (k-punk, 173)
Ook in Pfeijffers grand hotel zitten de personages in meer of mindere mate vast, al blijft Grand Hotel Europa niet verstoken van enig perspectief. De grootste hoop ligt vervat in het eerste personage waarmee het hoofdpersonage Ilja Leonard Pfeijffer en dus ook de lezer van deze ik-vertelling kennismaakt; Abdul, ‘een magere, donkere jongen in het nostalgische rode uniform van een piccolo.’ (11) Abdul is het enige personage dat niet vastloopt in geschiedenis, de enige die een toekomst heeft. Als Abdul zijn vluchtverhaal overneemt uit de Aeneis, ja, bijna woordelijk kopieert omdat hij ermee resoneert, gaat hij aan de slag met het Europese verleden dat niet ‘verleden’ is. Deze verhalen van het ondode verleden zijn Abduls heden en die zet hij naar zijn hand. Hij probeert de wereld waarin hij moet verderleven te leren kennen door te luisteren naar de verhalen van reizigers die in het Grand Hotel verblijven. ‘Verhalen geven zin aan het leven en ze ontlenen die zin aan andere verhalen. Het is het geduldige gesprek over de eeuwen heen, dat nooit ophoudt, en dat gaat over het weinige en het vele dat werkelijk de moeite waard is.’ (293)

Pfeijffers Grand Hotel Europa is een feest van intertekstualiteit, ook met het eigen oeuvre. Heel wat van de reeds door Pfeijffer verkende thema’s keren terug: de spot met toerisme (La Superba), de obsessieve liefde (Rupert, het mooiste meisje van Genua in La Superba, Peachez), verhalen van gelukszoekers (La Superba, Brieven uit Genua) en de steeds aanwezige doorwerking van de klassieken. Hoewel Grand Hotel Europa niet mijn favoriete roman van Pfeijffer is, is het boeiend hoe de schrijver aan de slag gaat met zijn eigen gedrukte verleden. Hij stelt zelfs letterlijk dat het niet de bedoeling is dat hij La Superba even dunnetjes gaat overdoen. Wat opnieuw duidt op de onderliggende idee van de roman; in de automatische herhaling van ideeën tekent zich het gebrek aan toekomst af.  Bewerking verschilt hier echter van herhaling omdat het ‘creatief’ is. Al beperkt het ‘geduldige gesprek’ zich niet tot creatief aan de slag te gaan met het verleden, want op een bepaald punt is ook dat gewoon ‘op’. Inmiddels zijn ook postmoderne recombinatie, ironie, vormfetisjisme, etc. verstard tot steriele trucs. Wat ‘werkelijk de moeite waard’ is, ligt in het anders definiëren van het verleden, het toelaten van andere perspectieven, in inspanningen om de verborgen of verzwegen geschiedenis boven te halen.

Om uit het hotel te ontsnappen moet men ruimte bieden aan perspectieven waarvoor men binnen de huidige context blind is, die ‘overlooked’ worden, onzichtbaar blijven en zich in de marge bevinden. Perspectieven die niet automatisch wit, mannelijk en heteroseksueel zijn, die niet ‘garant staan voor succes’ – die zelfs niet per se menselijk hoeven te zijn, denk maar aan de hyperobjects van Timothy Morton.
Vernieuwing komt altijd uit de marge. Behalve in de figuur van Adbul, leeft deze gedachte bij Pfeijffer ook in de verhaallijn rond de zoektocht naar het verloren schilderij van Caravaggio. Het werk van deze meester van licht en donker is inmiddels gecanoniseerd, zijn figuur wordt verafgood, al behoorde hij bij leven allesbehalve tot de elite die nu hoog met hem oploopt. De barokkunstenaar genoot hoogstens tijdelijke bescherming aangezien zijn talent ook voor zestiende-eeuwse ogen onmiskenbaar was.
De zoektocht naar de verloren Caravaggio, een spel gespeeld door de protagonist en zijn geliefde Clio, overspant de lijvige roman. Clio, muze van de geschiedschrijving en het heldendicht, is kunsthistorica en merkt op een bepaald moment op dat men een imitatie van een origineel kan onderscheiden door de te grote aandacht die de kunstenaar aan de details schenkt. Net omdat het er koste wat kost wil uitzien als een echte Caravaggio, ja, tot in het kleinste detail, is het schilderij dat in Genua hangt en toegeschreven wordt aan de meester volgens haar eigenlijk een nep-Caravaggio. Dit gegeven lijkt Pfeijffer te hebben toegepast op zijn schrijfstijl, die herkenbaar is maar soms ook serieus uit de bocht springt en dat tikkeltje té maniëristisch is, zelfs voor een bard als Pfeijffer. Alsof het een pastiche van een stijl eigen aan ‘dé grote schrijver’ betreft.

Na de begrafenis van ‘de oude dame Europa’ verlaat de protagist het Grand Hotel maar niet zonder eerst een bezoek te brengen aan de kamer van de ‘grande dame’, die blijkbaar al die tijd vlak naast die van hem lag. Daar aanschouwt hij het verloren gewaande laatste schilderij van Caravaggio:

Het stelde Maria Magdalena voor, min of meer levensgroot ten voeten uit geschilderd, als je dat zo kunt zeggen van een geknield gestalte. Haar onderlijf was gedeeltelijk bedekt door een rood gewaad, de kleur van de schuld of de kleur van de liefde of de kleur van beide, en ze hield een crucifix in beide handen in haar schoot. Ze was adembenemend goed geschilderd, volmaakt realistisch, bijna tastbaar, en tegelijkertijd groter dan zichzelf, als een icoon of een mentale voorstelling. De woestijn waarin zij geknield zat om boete te doen, bestond uitsluitend uit de met woeste streken leeggeschilderde donkere achtergrond. (545-546)

Het verbeelde schilderij toont Maria Magdalena, een vrouw in een marginale positie waar in de Bijbel over werd geschreven maar die nooit voor zichzelf heeft mogen spreken. Dat ze afgebeeld wordt terwijl ze boete doet in de woestijn doet ook denken aan dat prachtige schilderij van Gustave Van de Woestyne, Christus in de woestijn. Met een beetje verbeeldingskracht valt zelfs enige gelijkenis te zien tussen dit werk en de prachtige coverfoto van Vanfleteren.
In de voetsporen van Maria Magdalena vertrekt ook de protagonist naar de woestijn, meerbepaald naar Clio in Abu Dhabi, uit liefde én om er boete te doen. Nu het schilderij ontdekt is en de geschiedenis vrijgegeven, ontstaat de ruimte om tot iets nieuws te komen. De woestijn is dan ook niet dor maar net een symbool van nieuwe mogelijkheden. Pas na veertig dagen in de woestijn, een periode van bezinning en beproeving, volgt de ommekeer en werd Jezus Christus.

Ook de huidige quarantainecontext – die ontegensprekelijk veroorzaakt is door de massatijden waarin we leven – kan men zien als een periode van bezinning. Ze dwingt ons tot ongelofelijke veranderingen op korte termijn en ongeziene schaal. Dat wij hiertoe in staat zijn, voedt de hoop bij verschillende groepen (zowel uit progressieve en reactionaire hoek) dat bepaalde beperkingen een blijvend effect zullen creëren. Elk wil zijn droom in vervulling zien gaan. Wonderlijk zou het alvast zijn wanneer we in staat zouden zijn, resonerend met het verleden, samen toekomst te verbeelden. Dit schrijven aan een fris, mondiaal verhaal kan maar vruchtbaar zijn als er plaats is voor marginale perspectieven,  voor de ongeziene blik.

Christus in de woestijn
Christus in de woestijn – Gustave Van de Woestyne (MSK, Gent)

 

Bronnen:

Mark Fisher, Ghosts of my Life: Writings on Depression, Hauntology and Lost Futures. Zero Books, 2014.

— ‘Is Pop Undead?’ k-punk: The Collected and Unpublished Writings of Mark Fisher (2004 – 2016), ed. Darren Ambrose. Repeater, 2018. 319-322.

— ‘“You Have Always Been the Caretaker”: The Spectral Spaces of the Overlook Hotel.”’ k-punk: The Collected and Unpublished Writings of Mark Fisher (2004 – 2016), ed. Darren Ambrose. London: Repeater, 2018. 171-178.

Thoman Mann, De Toverberg. De Arbeiderspers, 2017.

Ilja Leonard Pfeijffer, Grand Hotel Europa. De Arbeiderspers, 2018.

Een reactie plaatsen

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s